Skip Ribbon Commands
Skip to main content
NL FR EN
A
A
A

 Respiratoir Syncytieel Virus (RSV)

 Virus Respiratoire Syncytial (VRS)

 Respiratory Syncytial Virus (RSV)

  

(update: 05/12/2018)

Pathogeen

RSV is een RNA virus behorende tot de familie Paramyxoviridae. In de Belgische populatie circuleren 2 belangrijke antigene subgroepen: RSV A en RSV B.


Transmissie

Transmissie van mens tot mens gebeurt door direct of nauw contact met infectieuze secreties of druppels, vaak via de hand-neus-oog route. Het uitscheiden van virus duurt gemiddeld 3 tot 8 dagen, bij jonge babies en in geval van immunosuppressie kan dit echter 3 tot 4 weken aanhouden.


Klinische presentatie


RSV infectie is één van de belangrijkste oorzaken van luchtweginfecties bij jonge kinderen, maar ook bij oudere leeftijdsgroepen kan het virus luchtweginfecties veroorzaken.

De meeste kinderen maken hun eerste RSV infectie door tijdens het eerste levensjaar en nagenoeg alle kinderen werden éénmalig geïnfecteerd voor de leeftijd van twee jaar.

Re-infecties zijn veel voorkomend aangezien geen langdurige immuniteit wordt opgebouwd. Dit is met name van belang voor die patiënten met een verhoogd risico op ernstige infecties; bv. premature babies en jonge kinderen, kinderen met chronische longaandoeningen, mensen met verminderde weerstand en oudere personen. 

De symptomen van RSV-virus infectie verschijnen 2 tot 8 dagen na blootstelling aan het virus. Beginnend met een lopende neus en algemene symptomen als hoesten, niezen en een piepende ademhaling, lijkt een beginnende RSV-infectie sterk op een gewone verkoudheid. Bij zeer jonge kinderen kunnen irritatie, verminderde activiteit, eet –en ademhalingsproblemen de enige symptomen van infectie zijn. 1 tot 3 dagen later kan echter ook koorts optreden en bij jonge kinderen ook vaak een middenooronsteking (otitis media).

De RSV-infectie kan vervolgens evolueren tot een ernstige infectie van de lagere luchtwegen (brochiolitis, tracheobronchitis, of pneumonie). 1-3% van de kinderen die een primaire RSV infectie doormaakt, wordt gehospitaliseerd omwille van ernstige luchtweg symptomen.


Preventie

Hand hygiëne, gebruik van papieren zakdoeken en hoest etiquette zijn goede preventieve maatregelen.


Epidemiologie

Net zoals in andere landen met een gematigd klimaat, is er in België jaarlijks een epidemie van RSV-infecties in de herfst en winter. Het aantal bevestigde gevallen stijgt in de maanden oktober en november en bereikt een piek eind november of begin december. Daarna daalt het aantal gevallen snel tot in februari of maart het basisniveau terug bereikt wordt. De intensiteit van deze pieken variëert echter van jaar tot jaar.  

 

Surveillance

Methode


RSV wordt als respiratoir pathogeen opgevolgd in het netwerk van de peillaboratoria (gecoordineerd door Sciensano) en door het Nationaal Referentiecentrum Respiratoire Pathogenen. Het netwerk van peillaboratoria registreert sinds 1996 alle gevallen van RSV gediagnosticeerd via virale kweek, antigeendetectie, serologie en PCR. Het NRC Respiratoire Aandoeningen verzekert de virologische surveillance vanaf 2011

Resultaten

De peillaboratoria bevestigen de diagnose meestal op basis van een snelle antigeendetectie. Deze methode wordt de laatste jaren steeds meer vervangen door een PCR analyse. In de afgelopen tien jaar daalde de fractie van infecties waarbij antigeendetectie gebruikt werd van 89% in seizoen 2008-2009 tot 71% in seizoen 2017-2018. In diezelfde periode steeg de fractie RSV infecties gediagnosticeerd door middel van PCR van 8% in seizoen 2008-2009 tot 22% in seizoen 2017-2018. Slechts een klein percentage van de RSV infecties wordt gediagnosticeerd door een virale kweek (6% in seizoen 2017-2018). Serologie wordt nauwelijks gebruikt om de diagnose te stellen (1% in seizoen 2017-2018).

Tussen 1996 en 2012 werd een quasi continue stijging van het jaarlijks aantal diagnoses geobserveerd, met af en toe een piekseizoen (2005-2006, 2008-2009 en vooral 2012-2013). Daarna  bleef het aantal gediagnosticeerde infecties relatief stabiel.
De peillaboratoria registreerden in de afgelopen 10 winters jaarlijks tussen 6800 en 10000 
episodes van gediagnosticeerde RSV. Het aantal laboratoria dat gevallen van RSV rapporteerde bleef stabiel in deze periode (tussen 60 in 2017-2018 en 78 in 2011-2012). 

 

 
 
 
 
Brussel






















Figuur 1
| RSV: aantal positieve testen per jaar (België, 2008-2018 Peillaboratoria, Sciensano)


De afgelopen jaren werd telkens een piek van bevestigde infecties geobserveerd in weken 48-50. De infecties bij oudere patiënten werden vooral in de tweede helft van de epidemie gezien.

 
 

  
 







Belgie
  
 

























Figuur 2
| RSV: aantal positieve testen per week (België, 2013-2018, Peillaboratoria, Sciensano)
 
 
De meeste bevestigde RSV-infecties worden gezien bij jonge kinderen van 0 tot 4 jaar. Toch toont de surveillance door het Nationaal Referentiecentrum Respiratoire Pathogenen, en de laatste jaren ook de surveillance door de peillaboratoria, dat een niet verwaarloosbaar aantal bevestigde RSV-infecties geobserveerd wordt bij oudere personen, met name personen van 65 jaar en ouder.
 
 
  
 


Figuur 3| Positieve testen voor RSV: leeftijdsverdeling (België, 2008-2018, Peillaboratoria, Sciensano)
 
Er worden telkens iets meer diagnoses gesteld bij jongens dan bij meisjes (in een gemiddelde verhouding van 1.8:1).
 
 
 
 
 
 

Figuur 4| Positieve testen voor RSV: Geslachtsverdeling (België, 2008-2018, Peillaboratoria, Sciensano)
 
 
Het netwerk van peillaboratoria registreert telkens een beduidend hoger aantal bevestigde RSV infecties in Vlaanderen dan in Wallonië. Mogelijk is dit eerder het gevolg van een actievere registratie door bepaalde laboratoria in Vlaanderen dan van een werkelijk regionaal verschil in incidentie.
 
 
 
 
Figuur 5| Positieve testen voor RSV: verdeling naar gewest (België, 2008-2018, Peillaboratoria, Sciensano)
 
 
 
 
 
Figuur 6| Positieve testen voor RSV: verdeling naar arrondissement (België, 2017-2018 Peillaboratoria, Sciensano)


Nuttige informatie

Meer epidemiologische gegevens: Epistat​

Nationaal referentiecentrum voor respiratoire pathogenen

WHO Global Respiratory Syncytial Virus Surveillance

 


Wetenschappelijk verantwoordelijke

  Nathalie Bossuyt ​​​​​

​ ​

Le virus respiratoire syncytial (VRS) est un virus à ARN qui appartient à la famille des Paramyxoviridae. Dans la population belge, deux importants sous-groupes antigéniques (différence au niveau des protéines de surface) circulent, le VRS A et le VRS B.

L
e VRS est l’une des principales causes d’infections des voies respiratoires chez les jeunes enfants, mais il peut également être à l’origine de problèmes respiratoires chez des sujets plus âgés. La plupart des enfants présentent leur première infection par le VRS au cours de leur première année de vie et pratiquement tous les enfants seront infectés une fois avant leur deuxième anniversaire. Les réinfections sont très fréquentes, étant donné qu’on n’acquiert pas d’immunité prolongée. Ceci est notamment important pour les patients courant un risque accru d’infections sévères, comme les prématurés et les jeunes enfants, les enfants souffrant d’affections pulmonaires chroniques, les personnes ayant immunité réduite et les personnes âgés.

Comme c’est le cas dans d’autres pays à climat tempéré, nous constatons en Belgique un caractère saisonnier au sujet de la prévalence des infections par le VRS, avec un pic annuel entre septembre et mars. L’ampleur et l’intensité de ces pics varient cependant fortement en fonction des années.

La transmission interhumaine s’effectue par contact direct ou étroit avec des sécrétions infectieuses ou par gouttelettes. La transmission par la voie mains-nez-yeux est considérée comme très fréquente. L’excrétion du virus dure habituellement 3 à 8 jours, mais chez les petits bébés et en cas d’immunosuppression, elle peut durer 3 à 4 semaines.

Les symptômes d’une infection par le VRS apparaissent 2 à 8 jours après l’exposition au virus. Avec un début marqué par une rhinorrhée et des symptômes généraux tels que toux, éternuements et respiration sifflante, une infection débutante due au VRS ressemble beaucoup à un rhume banal. Toutefois, 1 à 3 jours plus tard, on peut également noter de la fièvre et, chez les jeunes enfants, l’infection par le VRS entraîne souvent une infection de l���oreille moyenne (otite moyenne). Ensuite, l’infection due au VRS peut évoluer en infection sévère des voies respiratoires inférieures (bronchiolite, trachéobronchite ou pneumonie).
 
Chez les enfants, une infection primaire par le VRS débouche sur une hospitalisation dans 1-3 % des cas, en raison de symptômes respiratoires sévères. Chez les très jeunes enfants, l’irritabilité, une diminution de l’activité, des problèmes alimentaires et respiratoires peuvent être les seuls symptômes de l’infection.
 
L'hygiène des mains, l'utilisation des mouchoirs en papier et l'hygiène de la toux sont de bonnes mesures préventives.

Surveillance

Le VRS est suivi en tant que pathogène respiratoire par le réseau des laboratoires vigies et par le Centre Nationale de Référence (CNR) Pathogènes Respiratoires. Depuis 1996, le réseau  des laboratoires vigies enregistre tous les cas de VRS diagnostiqués par culture virale, détection antigénique, sérologie et PCR.
Le CNR Pathogènes Respiratoires assure la surveillance virologique depuis 2011.

Entre 1996 et 2012, une augmentation quasi continue du nombre annuel de diagnostics a été observée, avec des pics occasionnelles (notamment en 2005-2006, 2008-2009 et en 2012-2013). Après , le nombre d'infections diagnostiquées est resté relativement stable. Pendant les 10 derniers hivers, les laboratoires vigies ont enregistré annuellement entre 6800 et 10000 épisodes de VRS diagnostiqués. Le nombre de laboratoires ayant des déclarés des cas de RSV est resté stable durant cette période (entre 60 en 2017-2018 et 78 en 2011-2012).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Figure 1 | VRS: nombre de tests positifs par an (Belgique, laboratoires vigies, 2008-2018, Sciensano)


Chaque année, il y a une épidémie de VRSen automne/hiver. Le nombre de cas confirmés augmente au cours des mois d'octobre et de novembre et atteint un pic fin novembre ou début décembre. Après le pic, le nombre de cas diminue rapidement jusqu'en février ou mars, le niveau de base est atteint.





Figure 2 | VRS: nombre de tests positifs par semaine (Belgique, laboratoires vigies, 2013-2018, Sciensano)

Dans le réseau des laboratoires vigies, La majorité des tests positifs est observés chez les enfants jeunes de 0 à 4 ans. Cependant, la surveillance virologique par le Centre Nationale de Référence Pathogènes Respiratoires montre qu'on observe également un nombre relativement important d'infections au VRS chez les personnes plus âgées, et en particulier les personnes âgées de 65 ans et plus.





Belgique
  
 
























 
  
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 



Informations unformations utiles

Données épidemiologiques supplémentaires: Epistat​
 

Responsable scientifique







 
 

... is a negative strand RNA virus of the family Paramyxoviridae. There are two major subgroups, RSV A and RSV B, that circulate in the community. RSV is one of the most common diseases of early childhood, yet may cause acute respiratory tract infections in people of all ages. Most infants get a primary RSV infection during the first year of their life and virtually all have been infected at least once by their second birthday. Reinfection throughout life is common. Although all individuals can be infected with RSV, those at high risk for severe RSV infections include premature infants, young children, elderly, immunocompromised and children with chronic lung conditions.

In Belgium, due to its temperate climate, transmission of RSV shows a seasonal pattern, with annual peaks between September and March. RSV outbreaks might vary from year to year in size and intensity. Transmission among humans occurs through direct or close contact with infectious secretions, large particle droplets at short distance or fomites. Hand - nose - eye transmission is assumed common. Viral shedding lasts about 3 to 8 days, but may be longer up till 3 to 4 weeks in young infants and immunosuppressed persons.

In general, symptoms appear 4 to 6 days after exposure (full range: 2 to 8 days). RSV infection most often leads towards upper respiratory tract symptoms, that, in case of severe infection, can develop into lower respiratory tract disease, e.g. bronchiolitis, tracheobronchitis or pneumonia. Primary RSV infection in infants leads in 1-3% of cases to hospitalization with severe symptoms. Starting with a runny nose, other symptoms like coughing, sneezing, wheezing and fever may appear 1 to 3 days later. Among young children, acute otitis media is a common complication of RSV infection, this symptom appears in average 5 days after the onset of respiratory illness. Primary treatment is mainly supportive and should include clinical assessment of the respiratory status. Hospitalization may be needed for infants or risk groups with severe disease. In very young infants, irritability, decreased activity, feeding problems and breathing difficulties may be the only symptoms of infection. Prevention measures include; good hygiene practices: wash hands often, cough etiquette and use paper towels.

Surveillance by the sentinel network of laboratories

 


















Last modified: